Ienke Kastelein

Blog 5

Sporen

Achtergelaten sporen: de muggen hebben mijn bloed gedronken, ik heb ze met mijn DNA op het behang geplet. In het gebouwtje trilt mijn stem na, mijn adem is er vervlogen. Ik heb in de ochtendzon de olijfboom haar schaduw zien tekenen op de zijkant, mijn voetstappen hebben haar contouren gevormd in het gras; midden op het open veld was ik ooggetuige van de volle maan die het gebouwtje deed oplichten – zo helder het leek wel of de zon scheen. Tandpasta uitgespuugd. Losse haren uit de borstel bij het afval gedaan, de lege flessen in de glasbak. IK was hier. Mensen gegroet in het voorbijgaan, glimlachend en met een zwaai.

Sporen die zich in mij hebben gegrift: het veren van het zachte gras op het land onderweg naar het gebouwtje, de geur van mint en olijven, de warmte die binnen van de muur afstraalt aan het eind van de middag, de ruwe vloer aan mijn voeten, de stilte, het onophoudelijke zenuwachtige geblaf van een hond  verderop, het klokgelui ieder halfuur ook ’s nachts, de weg niet terug kunnen vinden op de kaart,  het heel vroeg in de ochtend voor zonsopgang naar beneden afdalen in de kou en dan wachten op de komst van de eerste zonnestralen, het getsjilp van de eerste vogel ‘s ochtends  en de laatste ’s avonds, het gekras van de drie kraaien die bij het krieken van de dag altijd overvliegen. Paden in mijn brein, een lichaamskaart – herinnerde afmeting, gezichtspunten, perspectieven, klankkleur. En ik neem mee: een schrift vol pennenstreken, notities, gedachten, woorden, afmetingen, tijden – een geheugenkaart vol foto’s en geluiden. Een paar stenen, wat blaadjes, een stuk touw. Eén dennenappel.

Saudade

Zouden de boeken in de Bibliotheca Joanina in Coimbra nog wel eens ingezien worden? En de kennis die erin opgetekend is, huist die in of buiten de ruimte van de boeken? Naar verluidt zijn er vleermuizen in de bibliotheek om insecten te verdrijven. Op de deur van het gebouwtje in Murganheira staan vaag de contouren van een vleermuis, een bezwering? Graffiti. Ik draag het gebouwtje met me meeals nutteloze ruimte, ijkpunt van geleende tijd, in gedachten. Het heeft zich in mij genesteld. Ik was te gast, een dwaalgast – nu is het tijd om terug te keren, te gaan. ‘En zij kwam nooit weerom…’ klinkt in mijn hoofd. Ik luister naar Mariza die ‘Gente da Minha Terra’ zingt, live in Lisboa. Saudade denk ik Saudade.

Blog 4

Tussen

Tot op welke hoogte kun je ergens blijven en erbij horen, kun je deel uitmaken van de plek waar je bent?Hoezeer ik mij ook verdiep in het hier zijn – mijn voeten stevig gegrond – ik maak hier slechts een tussenlanding, als een trekvogel op een pleisterplaats. Tijdens de reis hierheen las ik van Alberto Caeiro: ….“Ik zag ……dat er bergen zijn, valleien, vlakten,/ dat er bomen zijn, bloemen en grassen,/ dat er rivieren zijn en stenen, / Maar dat er geen geheel is waartoe dit behoort, dat een ware en werkelijke samenhang een ziekte van ons denken is.”….. De twijfel aan de onlosmakelijke samenhang van de dingen die Caeiro beschouwt als een ziekte van ons denken ervaar ik daarentegen als een onontkoombare werkelijkheid, die ons middenin de natuur en er niet buiten of boven plaatst. Hoewel Suzanne Simard zich in haar onderzoek richt op de communicatie tussen bomen in een bos kan ik intuïtief niet anders dan haar inzichten ook betrekken op een groter verband tussen mensen, planten bomen en grond. Ze beschrijft dat het netwerk tussen bomen en fungi overeenkomsten laat zien met het menselijk brein en hoe de chemische signalen identiek zijn aan onze eigen neurotransmitters. Natuur gaat aan het denken vooraf; het is kennis van het lichaam, temidden van lichamen.

Vruchtgebruik

Op een ochtend hoor ik geritsel dat zich ritmisch herhaalt, gemengd met zachte stemmen in het voor mij onverstaanbare Portugees. De zangerige toon klinkt aantrekkelijk. Nieuwsgierig ga ik kijken en zie dat groepjes mensen de olijven van de bomen iets verderop aan het plukken zijn. Naast mijn geleende gebouwtje staat een oude olijfboom, die naarmate de tijd verstrijkt steeds meer aantrekkingskracht op me heeft. Ik zit graag op de oude stronk in het midden of in haar schaduw. Verspreid over het land staan meer olijfbomen. Achter het land groeit een eucalyptusbos, een productiebos dat ondoordringbaar is door de dichte onderbegroeing van bramen, stekelbrem en varens. Slechts waar de paden door intensief onderhoud worden opengehouden kun je lopen. Een paar jaar geleden is dit bos door brand verwoest – misschien geeft die wetenschap het een grimmige uitstraling. De eucalyptus werd jaren geleden meegenomen uit Australië en doet het uitmuntend op Portugese grond – een enorm succesvol product. Het bos is echter ecologisch arm: de schors en de bladeren worden niet omgevormd tot een voedingsrijke humuslaag. Alleen als de wind ruist in de bladeren verzoen ik me ermee. Dit land heeft zijn vorm door het samengaan van mensen bomen planten en dieren. De mensen hebben het vruchtgebruik van de bomen, de bodem, het hout; ze plukken, maaien, snoeien en sprokkelen. Ik heb dat van de geleende ruimte. Wat betekent dat voor de omgeving, de buren, voor de eigenaren? Met de mensen die hier wonen en werken wissel ik slechts enkele woorden: Boa Dia! en Obrigado! Zij plukken olijven terwijl ik werk aan mijn project. We zijn ons bewust van elkaars aanwezigheid, we horen en zien elkaar – af en toe. We cirkelen net als satellieten en hemellichamen ieder in onze eigen baan om elkaar heen. “Passa, ave, passa, e ensina-me a passar!”  schreef Alberto Caeiro. Rechtstreeks in het Nederlands vertaald : “ga voorbij, vogel, ga voorbij, en leer mij voorbijgaan!”. 

Hier Hear Here Disappear

Nadat ik de performance “Hier Hear Here Disappear” heb geschreven nodig ik Frans van Lent uit om deze met mij op afstand uit te voeren. Hij staat in Blanca in Spanje en ik hier in het gebouwtje in Murganheira. Kijken houdt me bij de verschijning van de dingen in de wereld; bij het horen met gesloten ogen dringt de wereld door in mijn binnenste en met mijn aandacht bij mijn huid maak ik contact met de grond onder mijn voeten en de kou op mijn gezicht. Disappear: met gesloten ogen en een open geest voel ik mij deel van een heelal.  Hier kan overal zijn. En wij gaan voorbij.

 20 -11- 21

met dank aan Frans van Lent in AADK Spain Blanca, Murcia (SP)  https://fransvanlent.nl

Blog 3

Geleende Ruimte

Met de gedachte aan deze plek als een stip op de kaart en de gedachte om – als een vogel – geen sporen na te laten, bevind ik mij in een kleine donkere ruimte. Bij het idee dat iemand van buitenaf de deur op slot zou doen en mij hier achterlaten huiver ik. Binnen, met de deur dicht, vraag ik me af of iemand hier zou kunnen wonen. (Ik zie de kartonnen verblijven langs de Périphérique in Parijs voor me, de natte dekens van de man die dakloos verbleef in de meelvoederfabriek op de Tramkade in ’s Hertogenbosch, de schamele onderkomens van sommigen in deze streek.) Hoe komt een mens ergens terecht?

Als iemand hier zou gaan slapen zou het gebouwtje veranderen in een verblijfplaats. Mij lijkt het onaangenaam om er de nacht door te brengen. De vloer is hard, ruw en ijskoud. Overdag warmen de muren weliswaar op in de zon, maar de warmte legt het af tegen de kou van de nacht. De ruimte is meestal ontoegankelijk, behalve als wij er zijn. Een slak heeft ’s nachts zijn spoor achtergelaten en een hond heeft tegen de deur geplast. Wij zijn hier tijdelijk, op uitnodiging, als genode gasten in een geleende ruimte – een genereus geschenk! De vraag is : wat doe ik hier?

Op een stoel na, die ik achter de deur uit het zicht tegen de muur aan zet, maak ik de ruimte leeg; daarna vul ik de leegte slechts met mijn adem en aanwezigheid. Hoe ontstaat een bezield binnen? Vanuit het idee van Geleende Ruimte besluit ik alleen dingen toe te voegen die ik in de buurt kan vinden. Hooi van het land, een oude krant uit huis in proppen, een voetenbankje. Op de vloer ontstaat een patroon, die mijn loopbewegingen in de ruimte richting geven : een choreografie. ( Ik herinner me Dogville van Lars von Trier, Quadrat van Samuel Beckett, Walking_in_an_Exaggerated_Manner_Around_the_Perimeter_of_a_Square van Bruce Nauman )

16-11-21

Nutteloze Ruimte

Het boek ‘Ruimten Rondom’ van George Perec valt open op de pagina ‘Over een nutteloze ruimte’ ( p. 54-55), een concept dat mij zeker in deze context fascineert. Hij beschrijft hoe hij op zoek gaat naar allerlei onbruikbare en ongebruikte ruimten, maar daarmee nog geen nutteloze vindt:

“Hoe ik ook mijn best deed, het lukte me niet die gedachte, dat beeld tot het eind toe vast te houden. Het leek wel of de taal zelf tekortschoot bij het beschrijven van dat niets, die leegte, alsof je alleen kunt spreken over wat vol, nuttig en functioneel is.” …….  “Hoe verjaag je functies, ritmes, gewoonten, hoe verjaag je noodzaak?”

Vóór Casa Madrugada, het huis waar we wonen, ligt een wit betegelde plaats met twee platanen waar de bladeren afvallen. Er ontstaat een kleed van verdorde bruine bladeren. In plaats van ze op te vegen laat ik ze liggen en loop er op kousenvoeten tussendoor. Een fluisterpartituur. 

Nutteloos is niet doelloos.  Niet op zoek te zijn naar een specifiek eindresultaat, het doelloze als methode, het dwalen als proces, lopen zonder gebaand pad bevalt me. Nutteloze ruimte niet als materiële ruimte maar als een ruimte van tijd – in tijd. Is kunst niet in essentie nutteloos? 

Voor het aanmaken van vuur worden hier grote dennenappels gebruikt. Ik neem een zak mee en laat ze vallen op de lege vloer van het huisje/schuurtje/gebouwtje. In het lopen ontvouwen zich ruimtes, patronen, ritmes. Iedere keer als ik er naartoe ga volg ik het smalle pad en ontstaat er één uit het ritueel rondom lopen. Wellicht kun je Nutteloze Ruimte alleen buiten de taal betreden. Luisterend, tastend, lopend, ruikend, kijkend. Belichaamd, zoals een vogel vliegt.

Blog 2

“Alleen maar kijken”

Cornelis Verhoeven

Hier – voorstelling versus werkelijkheid

Tot 4 november was het project Borrowed Spaces / In Situ een gedachte,  die zich vaag aftekende in mijn denken over een plek ver weg en een voorstelling die ik daarvan had op basis van de zwart-wit foto die op de website van deze blog te zien is. Het gebouwtje zag er in mijn ogen verloren uit, klein in een verlaten en aangetast landschap, een plek onttrokken aan de natuur – op een landje waar ooit bos was. Mijn eerste wandeling er naartoe bracht me in verwarring – het was niet zo klein als ik dacht, de bomen aan de achterkant waren groter, de bosrand geslotener, de omgeving vriendelijk, groen, in cultuur gebracht, het land onderhouden.

Het paadje naar het gebouwtje loopt de helling af, dan er links omheen tot de deur, die aan de achterkant zit, op het noorden. Met de grote sleutel maak ik het open. Nadat ik het luik voor het raam – op het oosten – heb geopend valt het licht zacht naar binnen. Er staan wat stoelen. Ik loop binnen door de ruimte, rondom, de muren volgend, linksom. Vervolgens herhaal ik het rondlopen buitenom – eerst linksom naderhand rechtsom. Aan de zuidkant liggen rode dakpannen opgestapeld. Het ergert me:  ze maken van het gebouwtje een schuurtje.

De geur van mint en olijfbomen dringt diep in me door – de lucht is azuurblauw, de eucalyptusbomen ruisen zachtjes in de wind. Het is hier stil. De zon verwarmt één kant van mijn lichaam, terwijl de andere koud blijft in de schaduw. 

Na een nacht vol twijfels – wat doe ik hier? – word ik wakker met een opgewekt gemoed: het enige wat ik wil doen is het niets praktiseren. “Ja dit hebben mijn zintuigen geheel alleen geleerd: / de dingen hebben geen betekenis : ze bestaan.” las ik bij Alberto CaeiroEn in mijn achterhoofd klinkt: “Alleen maar kijken”, de titel van een essaybundel van Cornelis Verhoeven die ik bij me heb. Zo richt ik mij op observeren en ervaren in alle openheid en directheid. Ik wissel het af met het plaatsen en weghalen van voorwerpen, met lezen, schrijven en fotograferen.

Helemaal in het hier en nu blijven.

Na een paar dagen besluit ik me gedurende 8 dagen van zondag 7 tot en met zondag 14 november geheel en al te concentreren op het project en mijn contacten daarbuiten tot een minimum te beperken. We slaan voor een week voedsel in bij de supermarkt in Arganil.  Het dag zien worden in de ochtenddauw, de zon te zien opkomen vanachter de helling met in de verte het haangekraai, de zon onder te zien gaan, ’s nachts de sterren te zien flonkeren. Het is de zomer van Sint Maarten. Om ons heen worden olijven geplukt en de bomen gesnoeid.

Hoe moet ik het gebouwtje noemen? Het wordt het huisje genoemd, vergeet-me huisje of schuurtje – maar dat is te ingevuld. Geleende ruimte, een ergens nergens.Ik lees Perec en raak gefascineerd door zijn concept van nutteloze ruimte.

15-11-21

Blog 1

“Fly, bird, fly away; teach me to disappear.”  Alberto Caeiro (Fernando Pessoa) 

Caminhando

Ergens ver weg op het platteland in Portugal staat een verlaten huisje – een schuurtje, meer is het niet; een soort nulpunt stel ik me voor, een kluizenaarsverblijf, waar je kunt verdwijnen in de tijd. Het begin van een verhaal. De traagheid lonkt, de verte, het andere – tegelijkertijd: wat is goed voorouderschap, hoe zuinig te zijn met energie? Langzaam reizen is duur en duurt. We gaan niet met het vliegtuig, maar met de auto. Een compromis. Waarom zover reizen om naar zo’n piepklein plekje te gaan?Onderweg op de snelweg gaat het hard, ook al doen we rustig aan, en overnachten we om de 500 kilometer. De snelweg verbindt zich niet met het landschap, het is een soort losgezongen corridor, gericht op snelheid en efficiëntie – lijnrecht tegenover datgene wat ik zoek in reizen.  We zouden ook andere wegen kunnen kiezen, wat de tocht aanzienlijk zou vertragen, maar ook verlengen. Het is een paradox : ergens heen gaan is gericht op het bereiken van een bestemming althans binnen een bepaalde tijd, en daarmee tegengesteld aan het dwalen, wat de essentie van reizen is. Afwisselend zijn en blijven.

Hier

We zijn er. Hier. In Casa Madrugada. Nog is het huisje terra incognita, onbetreden. Ik kan het zien liggen tussen de bomen door in de ochtendnevel. Om het halfuur geeft lieflijk klokgelui de tijd aan. Kairos, de innerlijk beleefde tijd, kan hier mijn leidraad zijn. Het licht, de schaduw.

Alberto Caeiro  Er is een strofe uit een gedicht dat sinds ik me ben gaan voorbereiden op de residency in mijn hoofd zit:

“Rather the flight of the bird passing and leaving no trace Then creatures passing, leaving tracks on the ground The bird goes by and forgets, which is as it should be.…..”

En het gedicht eindigt zo:

“What’s past is nothing and remembering is not seeing. Fly, bird, fly away; teach me to disappear.”

 ( Alberto Caeiro is een heteroniem van Fernando Pessoa; het gedicht is vertaald uit het Portugees.)

In de bundel “Gedichten” van Fernando Pessoa, vertaald door August Willemsen lees ik:

“ ja dit hebben mijn zintuigen geheel alleen geleerd:  de dingen hebben geen betekenis : ze bestaan.  De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen “ ( pag 65, XXXIX )

en in een ander gedicht dit:

….“Ik zag dat er geen natuur is, dat natuur niet bestaat, dat er bergen zijn, valleien, vlakten,  dat er bomen zijn, bloemen en grassen, dat er rivieren zijn en stenen,  Maar dat er geen geheel is waartoe dit behoort,  dat een ware en werkelijke samenhang een ziekte van ons denken is.”….. pag 66 XLVII

Radical Mapping

In het licht van deze gedichten wil ik de komende tijd zoeken naar vormen van denken over natuur, taal, sporen nalaten, vliegen en verdwijnen. Naar het huisje lopen, eromheen, erin – zitten en staan. Tijd doorbrengen, kijken, luisteren, voelen. Het huisje in kaart brengen, radicaal, zintuiglijk en performatief.

Ienke Kastelein